ECLI:NL:RBMNE:2020:5800
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen terugvordering WW-uitkering en boete wegens schending inlichtingenplicht
Eiseres ontving vanaf oktober 2016 een WW-uitkering en is vanaf januari 2017 als zelfstandige gaan werken. Het UWV herzag haar recht op WW-uitkering over de periode september tot en met december 2018 omdat zij niet had gemeld dat zij in die periode werkzaamheden als zelfstandige en als stagiaire verrichtte. Hierdoor werd een bedrag van €6.981,54 teruggevorderd en een boete van €3.490,77 opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de werkzaamheden bij [bedrijf 3] in het economisch verkeer op geld waardeerbaar waren, maar dat eiseres door haar stage van 24 uur per week niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt en dus geen recht had op WW-uitkering voor die uren. Daarnaast werd vastgesteld dat eiseres gemiddeld 4 uur per dag als zelfstandige werkte voor haar bedrijven [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2], ondanks dat deze per 5 september 2018 waren uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.
Eiseres had haar werkzaamheden niet gemeld, waardoor zij haar inlichtingenplicht had geschonden. Haar beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien werd verworpen omdat zij geen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen aannemelijk had gemaakt. Ook werd de boete terecht opgelegd en niet gematigd wegens verminderde verwijtbaarheid. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de WW-uitkering en de opgelegde boete wordt ongegrond verklaard.