Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
Procesverloop
€ 871,73 van eiser teruggevorderd.
Overwegingen
1 mei 2015. En van die stukken heeft eiser de ontvangst niet ontkend, aldus verweerder.
Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van tot een of meer belanghebbenden gerichte besluiten door toezending of uitreiking aan hen.
5 september 2014 en 1 mei 2015 ten grondslag. De rechtbank overweegt dat verweerder in voornoemde besluiten geen bepalingen heeft opgenomen over de invordering. In de brief van 24 maart 2020 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij het bedrag van € 3.061,56 binnen zes weken moet betalen. De rechtbank merkt de brief van 24 maart 2020 daarom aan als een voor bezwaar vatbaar invorderingsbesluit. Daar komt bij dat verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt stelt dat de vordering van € 3.061,56 niet is verjaard. De rechtsvaststelling dat geen sprake is van verjaring, is gericht op rechtsgevolg en derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan een bespreking van eisers beroepsgronden tegen de invordering van het bedrag van € 3.061,56.
5 september 2014 (met een openstaand bedrag van € 116,28) “vordering A” noemen en de vordering uit het besluit van 1 mei 2015 (met een openstaand bedrag van € 2.945,28) “vordering B”. De terugvordering van het bedrag van € 871,73 noemt de rechtbank “vordering C”.
5 september 2014 en 1 mei 2015 geen bepalingen over de invordering opgenomen. In de Memorie van Toelichting [2] bij artikel 4:104, eerste lid, van de Awb is het volgende vermeld:
€ 10,33 een inhouding op vordering A betreft. Op de uitkeringsspecificaties van mei en juni 2015 staat ook alleen een inhouding van € 5,93 “tbv vordering”. Hierover heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het bedrag van € 10,33 naar € 5,93 is aangepast vanwege een inhouding ten behoeve van het CAK en dat eiser hiervan bij brief van 6 mei 2015 op de hoogte zou zijn gesteld. Deze brief heeft verweerder niet overgelegd en eiser heeft de ontvangst hiervan ontkend. Uit het betalingsoverzicht (debiteurendossier: [nummer] ) dat volgens verweerder op vordering A betrekking heeft, blijkt dat op 19 mei 2016 een verrekening van
€ 71,37 heeft plaatsgevonden. Eerst ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit bedrag verband houdt met een opgelegde boete en dat deze met vordering A is verrekend. Verweerder heeft van deze verrekening geen uitkeringsspecificaties of brieven overgelegd, waaruit blijkt dat het eiser duidelijk was of moet zijn geweest waarop deze verrekening betrekking had. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het bedrag van € 71,37 ook niet in de brief van 18 mei 2016 is vermeld. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser wist dat hij met de inhoudingen in de periode van april tot en met juni 2015 op vordering A aan het aflossen was. Verder heeft eiser onweersproken naar voren gebracht dat verweerder eerst in juli 2020 een aanmaning heeft gestuurd en dat daarin evenmin duidelijk is gemaakt op welke vorderingen deze betrekking heeft. Niet gesteld of gebleken is dat er ten aanzien van vordering A andere stuitingshandelingen hebben plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt.
5 september 2014 voortvloeiende terugbetalingsverplichting ten tijde van het primaire besluit was verjaard en verweerder daarom ten onrechte het bedrag van € 116,28 heeft ingevorderd.
30 juni 2016 “extern” op vordering B is afgelost. Verweerder heeft in het verweerschrift van 2 oktober 2020 al op deze aflossing gewezen en gesteld dat eiser daarmee de vordering heeft erkend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee voldoende tijd gehad om op verweerders standpunt te reageren en deze te weerleggen, wat hij niet heeft gedaan. De rechtbank houdt het er daarom voor dat eiser op vordering B heeft afgelost en hij daarmee de schuld uit vordering B heeft erkend. [4] Dit betekent dat de verjaring van vordering B op
30 juni 2016 is gestuit en verweerder ten tijde van het primaire besluit bevoegd was om tot invordering van de nog openstaande schuld van € 2.945,28 over te gaan. Wat eiser over vordering B heeft aangevoerd, slaagt niet.
De bijstand die eiser in de periode van 19 maart 2018 tot en met 30 april 2018 heeft ontvangen, vordert verweerder daarom terug. De grondslag voor de terugvordering is artikel 58, eerste lid, van de Pw.
30 april 2018 bijstand ontvangen. Dit betekent dat eiser over de periode van 19 maart 2018 tot en met 30 april 2018 geen recht op bijstand had, zodat de kosten van bijstand ter hoogte van
€ 871,73 van eiser worden teruggevorderd.
Beslissing
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder het bedrag van € 116,28 van eiser heeft ingevorderd en laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.
de griffier is verhinderd deze - de rechter is verhinderd deze