Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2021 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
bestendigewoonsituatie was. Dit kon pas na zes maanden. Daarom bestaat voor [kind 1] recht op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2019, voor [kind 2] vanaf het eerste kwartaal van 2020 en voor [kind 3] vanaf het tweede kwartaal van 2020.
vanafhet tweede kwartaal van 2019 geen kinderbijslag kan krijgen voor [kind 1] (gedingstuk B6). De aanvraag van kinderbijslag voor [kind 1] van 8 oktober 2019 moet naar het oordeel van de rechtbank, voor zover deze betrekking heeft op het tweede en derde kwartaal van 2019, opgevat worden als een verzoek om herziening in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onder nieuwe feiten en omstandigheden vallen onder meer bewijsstukken van eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet voor het nemen van de eerdere beslissing konden worden ingebracht (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:251). Eiseres heeft in beroep een e-mail overgelegd van 28 maart 2019, waaruit blijkt dat de feitelijke woonsituatie anders was dan waar verweerder vanuit is gegaan. Deze e-mail kan echter niet als nieuw feit of omstandigheid worden aangemerkt, in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb, omdat eiseres deze gezien de datum van die e-mail al voorafgaand aan het besluit van 18 juni 2019 kon inbrengen. De rechtbank concludeert dat het besluit van 18 juni 2019 in rechte vaststaat en dat om deze reden hierover geen inhoudelijke beoordeling meer mogelijk is.
bestendigenieuwe woonsituatie van de kinderen. De moeilijkheid is dat verweerder gedurende een lopend kinderbijslagtijdvak moet beoordelen wat de stand van zaken op dat moment is. Bij tegenstrijdige beweringen over het hoofdverblijf van kinderen stelt verweerder zich conform zijn beleid niet ten onrechte op het standpunt dat de situatie, die afwijkt van een formele beschikking, ten minste zes maanden moet duren alvorens verweerder die situatie in aanmerking neemt voor het toekennen van kinderbijslag. Dit beleid is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank begrijpt dat dit voor eiseres oneerlijk voelt, omdat de kinderen feitelijk al eerder bij haar verbleven en de kinderen financieel toen niet meer ten laste van [A] maar ten laste van eiseres kwamen. Maar verweerder heeft conform zijn beleid gehandeld en zijn beleid is, zoals gezegd, niet onredelijk. Het beroep slaagt daarom niet.