Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
“de opstelling dat het ten aanzien van het lichaam zal voeren”.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een verzet tegen een dwangbevel van het Pensioenfonds Horeca & Catering (Pensioenfonds H&C) gericht tegen eiseres, voormalig bestuurder van [bedrijfsnaam 1] B.V., die failliet is verklaard. Het geschil draait om de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres voor onbetaalde pensioenpremies en de vraag of er sprake is van een tijdige melding van betalingsonmacht en kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De rechtbank stelt vast dat [bedrijfsnaam 1] B.V. een betalingsachterstand had en dat er eind juli 2014 een feitelijke melding van betalingsonmacht aan het pensioenfonds is gedaan. Voor de periode vóór deze melding geldt een wettelijk vermoeden dat het niet betalen aan eiseres als bestuurder te wijten is. Eiseres heeft dit vermoeden onvoldoende weerlegd en wordt daarom hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de premies van februari tot en met juli 2014.
Voor de periode ná de melding van betalingsonmacht moet het pensioenfonds aantonen dat het niet betalen het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur door eiseres. De rechtbank oordeelt dat het pensioenfonds dit niet aannemelijk heeft gemaakt, mede gelet op het faillissementsverslag waaruit blijkt dat de onderneming leed onder de economische malaise en geen sprake was van ernstig verwijtbaar bestuur. Daarom wordt het dwangbevel voor de premies vanaf augustus 2014 tot september 2015 vernietigd.
De proceskosten worden gecompenseerd en ieder draagt zijn eigen kosten. Het verzet wordt dus gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen.
Uitkomst: Het dwangbevel wordt vernietigd voor premies vanaf augustus 2014, maar eiseres blijft aansprakelijk voor premies van februari tot juli 2014.