Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Procesverloop
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- de heer [A] namens de burgemeester van de gemeente [naam gemeente] ;
- de heer [B] , psychiater, namens [naam instelling] .
Rechtbank Midden-Nederland
Betrokkene stelde beroep in tegen een crisismaatregel opgelegd door de burgemeester, omdat hij niet was gehoord, wat volgens hem in strijd was met artikel 7:1 lid 3 onder Pro b van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Hij verzocht tevens om een schadevergoeding van €500,- wegens dit vermeende gebrek.
De burgemeester had de crisismaatregel genomen op basis van een medische verklaring van een psychiater, die had vastgesteld dat betrokkene niet gehoord kon worden vanwege zijn ernstige psychotische toestand en de fysieke omstandigheden, waaronder het verblijf in een uitgebrand huis zonder elektriciteit. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester de vaststelling dat betrokkene niet gehoord kon worden terecht aan de psychiater kon overlaten en dat de psychiater voldoende gronden had voor haar conclusie.
De rechtbank benadrukte dat de hoorplicht niet vereist dat betrokkene een 'goed gesprek' moet kunnen voeren, maar dat er omstandigheden kunnen zijn die het horen onmogelijk maken. Gezien de ernst van de psychose en de fysieke situatie was het niet horen gerechtvaardigd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de crisismaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.