Art. 7:673 BWArt. 7:686a BWArt. 2 Besluit in mindering brengen kosten op transitievergoedingArt. 4 Besluit in mindering brengen kosten op transitievergoedingArt. 272 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Werkgever mag inzetbaarheidskosten niet in mindering brengen op transitievergoeding
Verzoekster was sinds 1 september 2018 in dienst bij verweerster en volgde tijdens het dienstverband een BBL-opleiding die zij succesvol afrondde op 2 juli 2020. De arbeidsovereenkomst werd op initiatief van de werkgever niet voortgezet na 31 december 2020. Verzoekster vorderde betaling van de transitievergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
Verweerster bracht inzetbaarheidskosten, zoals begeleiding tijdens de opleiding en deelname aan cursussen en teamdagen, in mindering op de transitievergoeding. De kantonrechter stelde vast dat niet aan de voorwaarden van artikel 4 vanPro het Besluit was voldaan, omdat de arbeidsovereenkomst na afronding van de opleiding nog bijna zes maanden voortduurde. Ook ontbrak bewijs dat aan de voorwaarden van artikel 2 vanPro het Besluit was voldaan.
Daarom wees de kantonrechter het beroep van verweerster op het Besluit af en veroordeelde verweerster tot betaling van de volledige transitievergoeding van € 1.295,20 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 februari 2021, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Verweerster werd veroordeeld in de proceskosten van € 614,00.
Uitkomst: Werkgever moet volledige transitievergoeding betalen zonder inzetbaarheidskosten in mindering te brengen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 9125935 UE VERZ 21-96 SGK/44740
Beschikking van 11 juni 2021
inzake
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [verzoekster] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: de heer E.F.J. van West werkzaam bij FNV,
tegen:
de besloten vennootschap
[verweerster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen: [verweerster] ,
verwerende partij,
niet verschenen.
1.Het verloop van de procedure
1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek gedaan waarbij zij aanspraak maakt op betaling van de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het verzoekschrift is op 31 maart 2021 door de griffie van de rechtbank ontvangen en richt zich tegen [verweerster] .
1.2.
[verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend.
1.3.
Op 28 mei 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren [verzoekster] en haar gemachtigde aanwezig. [verweerster] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling.
1.4.
Vervolgens is uitspraak bepaald.
2.De overwegingen van de kantonrechter
2.1.
[verweerster] is niet verschenen. Zij is opgeroepen per gewone brief. Hoewel als hoofdregel geldt dat een niet verschenen belanghebbende (vervolgens) bij aangetekende brief wordt opgeroepen, kan - zo volgt uit artikel 272 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering - de rechter anders bepalen. De kantonrechter overweegt in dit verband dat het adres op de oproepingsbrief correspondeert met het adres dat [verweerster] vermeldt op het briefpapier van haar brieven, zodat [verweerster] op de hoogte moet worden geacht van het onderhavige verzoek en de zittingsdatum. [verweerster] heeft geen bericht van verhindering toegestuurd. Als [verweerster] meer tijd nodig had gehad om verweer te voeren tegen het verzoek of op de bepaalde zittingsdatum om haar moverende redenen niet kon verschijnen, had het op haar weg gelegen om de kantonrechter om uitstel te verzoeken. Nu [verweerster] dat niet heeft gedaan, wordt ervan uitgegaan dat zij geen verweer wenst te voeren. De kantonrechter merkt daarbij op dat [verweerster] in de brief van 3 februari 2021 uiteen heeft gezet richting [verzoekster] wat haar standpunt is. Dit standpunt zal, voor zover relevant voor de beslissing, meegenomen worden in de beoordeling. De kantonrechter heeft gezien het hiervoor genoemde geen nadere mondelinge behandeling ter terechtzitting van het verzoek bepaald en besloten uitspraak te doen.
De vordering en de onderbouwing daarvan
2.2.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van
de wettelijke transitievergoeding ter hoogte van € 1.295,20 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;
de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 235,08 exclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke rente;
de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.3.
[verzoekster] heeft aan haar verweer het volgende ten grondslag gelegd.
2.3.1.
[verzoekster] is op 1 september 2018 bij [verweerster] in dienst getreden, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 maart 2019 welke aansluitend is verlengd tot en met 31 december 2020. Vanaf 12 september 2018 volgde [verzoekster] een BBL-opleiding aan het [.] . Deze opleiding heeft zij 2 juli 2020 met goed gevolg afgerond. Op 26 november 2020 heeft [verweerster] aan [verzoekster] laten weten dat de arbeidsovereenkomst na 31 december 2020 niet wordt voorgezet. [verzoekster] was (laatstelijk) werkzaam in de functie van [functie] . Op de dienstbetrekking is de collectieve arbeidsovereenkomst Gehandicaptenzorg van toepassing. Het laatstelijk verdiende salaris bedroeg per maand bruto € 1.665,26 inclusief emolumenten.
2.3.2.
[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 7:673 lid 2 BWPro recht heeft op een transitievergoeding, nu de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en het dienstverband door [verweerster] is opgezegd. [verweerster] is tot op heden niet overgegaan tot het uitbetalen van de transitievergoeding, volgens [verzoekster] omdat [verweerster] inzetbaarheidskosten in mindering brengt op de verschuldigde transitievergoeding. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat dit op grond van artikel 4 lid 1 vanPro het Besluit in mindering brengen kosten op transitievergoeding niet kan, omdat de arbeidsovereenkomst na afronding van de BBL-opleiding is voorgezet.
De beoordeling
2.4.
Bij gebreke van verweer daartegen, en op basis van de door [verzoekster] overgelegde stukken, wordt in rechte uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [verzoekster] . Dit betekent dat er in rechte van wordt uitgegaan dat [verzoekster] op 1 september 2018 in dienst is getreden bij [verweerster] , dit dienstverband op 1 januari 2021 van rechtswege is geëindigd en op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet. Verder wordt er in rechte vanuit gegaan dat het laatstelijk verdiende salaris van [verzoekster] € 1.665,26 per maand inclusief emolumenten bedroeg en zij tijdens het dienstverband een BBL-opleiding heeft gevolgd, welke zij op 2 juli 2020 met goed gevolg heeft afgerond.
2.5.
Dit brengt met zich dat, op grond van artikel 7:673 BWPro, [verweerster] in beginsel een transitievergoeding verschuldigd is aan [verzoekster] , ter hoogte van € 1.295,20. [verzoekster] noemt in haar dagvaarding dat [verweerster] zich erop beroept dat zij ten behoeve van [verzoekster] kosten heeft gemaakt die kwalificeren als inzetbaarheidskosten die op grond van artikel 7:673 lid 6 BWPro op de uit te keren transitievergoeding in mindering kunnen worden gebracht. De kantonrechter leest dit standpunt van [verweerster] ook terug in de brief van [verweerster] van 3 februari 2021 gericht aan [verzoekster] . [verweerster] doet in deze brief een beroep op de artikelen 2 en 4 van het Besluit in mindering brengen kosten op de transitievergoeding (hierna: het besluit). De inzetbaarheidskosten bestaan volgens [verweerster] uit de begeleiding die [verzoekster] gedurende de BBL-opleiding heeft ontvangen via een zorgcoördinator van [verweerster] . Daarnaast heeft [verzoekster] deelgenomen aan een cursus fysieke beheersing, meerdere doorbetaalde teamdagen en frequente intervisiemomenten.
2.6.
De kantonrechter overweegt als volgt. De kosten in verband met de BBL-opleiding die [verzoekster] tijdens haar dienstverband heeft gevolgd, kunnen in mindering worden gebracht op de transitievergoeding wanneer aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 4 vanPro het Besluit is voldaan. De kantonrechter is echter met [verzoekster] van oordeel dat niet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 4 vanPro het Besluit is voldaan. Artikel 4 vanPro het Besluit vereist immers dat (1) de arbeidsovereenkomst is aangegaan om de werknemer in de gelegenheid te stellen die opleiding te volgen en (2) de arbeidsovereenkomst na afronding van die opleiding, of na tussentijdse beëindiging daarvan, niet, of met een tussenpoos van meer dan zes maanden, wordt voortgezet. Nog daargelaten of de arbeidsovereenkomst is aangegaan om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen een opleiding te volgen, is tussen partijen niet in geschil, zo begrijpt de kantonrechter uit de hiervoor genoemde e-mail van 3 februari 2021, dat de arbeidsovereenkomst na het afronden van de BBL-opleiding nog bijna zes maanden heeft voortgeduurd. Dit betekent dat op grond van artikel 4 vanPro het Besluit de door [verweerster] genoemde inzetbaarheidskosten niet in mindering gebracht kunnen worden op de transitievergoeding. Evenmin kunnen de door [verweerster] genoemde inzetbaarheidskosten op grond van artikel 2 vanPro het Besluit in mindering worden gebracht op de transitievergoeding. Daarvoor dient namelijk aan de acht voorwaarden zoals genoemd in lid 1 van artikel 2 vanPro het Besluit te zijn voldaan. Dat aan al deze voorwaarden is voldaan is de kantonrechter niet gebleken. Zo is bijvoorbeeld niet gesteld en gebleken dat de kosten die door [verweerster] in mindering zijn gebracht op de transitievergoeding zijn gemaakt nadat deze kosten zijn gespecificeerd en schriftelijk zijn meegedeeld aan [verzoekster] .
2.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde transitievergoeding ter hoogte van € 1.295,20 bruto toewijsbaar is. Ook de gevorderde deugdelijke bruto/netto specificatie is toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding is, in lijn met artikel 7:686a lid 1, toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De wettelijke rente zal dan ook vanaf dat moment (1 februari 2021) worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.8.
[verzoekster] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [verzoekster] heeft evenwel niet onderbouwd gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het verzoek ten aanzien van die kosten is dan ook niet toewijsbaar. Ook de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijk incassokosten is daardoor niet toewijsbaar.
Proceskosten
2.9.
[verweerster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op:
- griffierecht € 240,00
- salaris gemachtigde € 374,00(2 punten x tarief € 187,00)
Totaal € 614,00
3.De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] tegen bewijs van kwijting te betalen binnen twee dagen na heden € 1.295,20 bruto onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2021 tot dat dag dat alles is betaald;
3.2.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] , tot deze beschikking bepaald op € 614,00;
3.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021 en ondertekend door mr. J.W. Wagenaar.