ECLI:NL:RBMNE:2021:2441

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 april 2021
Publicatiedatum
11 juni 2021
Zaaknummer
UTR 20/2651
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks defecte automaat en gelijkheidsbeginsel

Eiser kreeg op 11 maart 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €68,77 opgelegd omdat hij niet had betaald bij een parkeerautomaat die defect zou zijn geweest. Eiser stelde dat er een landelijke pinstoring was waardoor hij niet kon betalen en dat ook andere parkeerautomaten niet werkten. Hij voerde aan dat hij haast had vanwege een rechtszaak en niet bekend was in de omgeving.

De rechtbank oordeelde dat eiser verantwoordelijk was om op een andere wijze te betalen, bijvoorbeeld bij een andere automaat. Verweerder toonde aan dat bij de dichtstbijzijnde automaten wel succesvol pinbetalingen werden verricht rond het tijdstip van parkeren. Eiser had niet onderzocht of daar betaling mogelijk was. De omstandigheid van haast ontsloeg hem niet van zijn betalingsverplichting.

Eiser voerde ook aan dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat een collega met een defecte automaat geen boete kreeg. De rechtbank vond dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat zijn collega ook gecontroleerd was, zodat geen sprake was van gelijke gevallen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2651

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. W.G. Vos).

Procesverloop

Op 11 maart 2020 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 68,77.
In de uitspraak op bezwaar van 7 juli 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021, via een beeld- en geluidverbinding (Skype). Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 11 maart 2020 omstreeks 13:04 uur constateerde een parkeercontroleur dat de auto van eiser, met kenteken [kenteken] , in de [locatie 1] te [plaats] geparkeerd stond, zonder dat er parkeerbelasting was betaald.
2. Eiser is het niet eens met de naheffing omdat hij geen parkeerbelasting kon betalen omdat de parkeerautomaat in de [locatie 1] niet werkte. Later heeft eiser vernomen dat er op het moment waarop hij wilde betalen een landelijke pinstoring gaande was. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een afschrift van een internetpagina ingediend, waarop staat dat er op 11 maart 2020 vanaf 11:38 uur een pinstoring was. Eiser voert verder aan dat hij heeft gekeken bij andere parkeerautomaten, maar daar kon hij ook niet betalen. Een collega van eiser stond verderop geparkeerd en die kon ook niet betalen. Eiser voert vervolgens aan dat hij ter plaatse was om een rechtszaak bij te wonen en dat hij met enige spoed naar binnen moest, omdat hij wat aan de late kant was. Eiser was verder niet bekend in de omgeving en was blij dat hij een parkeerplaats had gevonden.
3. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser heeft opgelegd. Tussen partijen is weliswaar niet in geschil dat eiser geen parkeerbelasting kon betalen bij de parkeerautomaat in de [locatie 1] , maar verweerder heeft terecht gesteld dat het de verantwoordelijkheid van eiser was om de parkeerbelasting op een andere manier te voldoen, bijvoorbeeld door betaling bij een andere parkeerautomaat. [1] Dat andere parkeerautomaten in de omgeving ook niet werkten door een landelijke pinstoring, is niet gebleken. Uit de door verweerder ingediende transactiegegevens van de aankopen bij de twee dichtstbijzijnde parkeerautomaten ( [locatie 2] en [locatie 3] ) blijkt namelijk dat er ook (zeer) dicht rond het tijdstip van parkeren van eiser met succes pinbetalingen zijn verricht. Dat eiser niet bij deze automaten is gaan kijken, komt voor zijn rekening. De omstandigheid dat eiser enige haast had, ontslaat hem niet van zijn verplichting om voor betaling van de parkeerbelasting te zorgen.
4. Eiser voert verder aan dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Een collega van hem heeft ook zijn auto geparkeerd bij een defecte parkeerautomaat, maar hij heeft geen boete gehad, dan wel zijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag is gegrond verklaard.
5. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Voor een succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel is namelijk allereerst vereist dat eiser aannemelijk maakt dat verweerder ten nadele van hem gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zijn collega ook is gecontroleerd door de parkeercontroleur. Alleen al daarom heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken en bekendgemaakt op 23 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3177.