Eisers kregen bijstand op grond van de Participatiewet, maar het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok dit recht per 1 januari 2019 in en vorderde een bedrag van €36.650,52 terug wegens niet gemelde stortingen op de jongerenrekening van hun dochter. Na bezwaar en een tussenuitspraak stelde de rechtbank dat het college het recht op bijstand opnieuw moest beoordelen over de periode 1 januari 2019 tot 18 maart 2020.
Het college herzag het besluit en stelde de terugvordering vast op €11.363,36 over 2019, gebaseerd op stortingen van de zoon op de jongerenrekening. Eisers voerden aan dat de terugvordering pas vanaf 1 april 2019 moest gelden, omdat eerdere stortingen te laag waren om de bijstandsnorm te overschrijden.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht de periode vanaf 1 januari 2019 hanteerde, maar dat het college per maand had moeten vaststellen of recht op bijstand bestond. Het besluit was daardoor onvoldoende gemotiveerd. Het beroep werd gegrond verklaard en het college kreeg zes weken om een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.