De zaak betreft een ontbindingsverzoek van de werkgever tegen een werknemer die sinds 2017 in dienst is als manager bij de werkgever. De werkgever stelt dat de werknemer disfunctioneert en verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van disfunctioneren en een verstoorde arbeidsverhouding.
De kantonrechter onderzoekt of er sprake is van ongeschiktheid van de werknemer voor zijn functie en of de werkgever hem tijdig en concreet heeft geïnformeerd over zijn functioneren en hem voldoende gelegenheid heeft gegeven tot verbetering. Uit de stukken en de zitting blijkt dat de werkgever onvoldoende concreet heeft gemaakt waar het disfunctioneren uit bestaat en dat de verbetertrajecten niet zorgvuldig en tijdig zijn opgezet en uitgevoerd.
Ook het subsidiaire beroep op een verstoorde arbeidsverhouding wordt verworpen omdat de werkgever tekort is geschoten in haar zorgvuldigheid en communicatie. De kantonrechter concludeert dat de werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ontbinding gerechtvaardigd is. Het verzoek wordt afgewezen en de werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.