De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om een omgevingsvergunning voor het vestigen van een zalencentrum op een bedrijventerrein te weigeren. In een eerdere tussenuitspraak werd vastgesteld dat het college een belangenafweging moest maken ten aanzien van de beleidsregels uit het Ontwikkelingskader Horeca Utrecht 2018 (OHU 2018).
Het college heeft vervolgens een aanvullende motivering ingediend waarin het benadrukte dat de voorwaarde 'parkeren op eigen terrein' bewust is opgenomen om parkeeroverlast en geluidsoverlast te voorkomen. Het college wees erop dat het bedrijventerrein ook in het weekend actief is en dat verspreid parkeren overlast veroorzaakt voor andere gebruikers. Eiser stelde dat het bedrijventerrein in verval is en dat het zalencentrum juist een positieve impuls zou geven, maar kon geen bijzondere omstandigheden aantonen die een afwijking van de beleidsregels rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat het college voldoende had gemotiveerd dat handhaving van de beleidsregels niet onevenredig is en dat de belangen van eiser niet direct worden geraakt door het besluit. Het college mocht de vergunning weigeren en de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.