Eisers woonden op een perceel waar het woongebruik in strijd was met het bestemmingsplan. Na diverse handhavingsprocedures werd de bewoning in 2017 gestaakt. Een verzoek om planschade werd in 2019 afgewezen, waarna eisers in 2020 een verzoek tot nadeelcompensatie indienden. Verweerder wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond en dat van eiseres niet-ontvankelijk. Eisers stelden beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet tijdig bezwaar had gemaakt en verklaarde haar beroep ongegrond. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard omdat verweerder het besluit onvoldoende had gemotiveerd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen daarvan ongewijzigd. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.
De rechtbank benadrukte dat eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het handhavingsbesluit rechtmatig verklaren en dat het vertrouwensbeginsel geen grond biedt voor nadeelcompensatie in deze zaak. De uitspraak biedt partijen de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.