ECLI:NL:RBMNE:2021:4439
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde appartement met taxatiematrix en vergelijkingsmethode
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement, gelegen aan een adres in een Nederlandse plaats, voor het belastingjaar 2020. De waarde was door verweerder vastgesteld op €172.000, terwijl eiser een lagere waarde van €126.000 bepleitte.
De rechtbank heeft overwogen dat verweerder de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat de WOZ-waarde niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer. Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd waarin de woning wordt vergeleken met drie referentiewoningen in hetzelfde appartementencomplex, die qua bouwjaar, oppervlakte en staat van onderhoud vergelijkbaar zijn.
De rechtbank acht de taxatiematrix en de toelichting van verweerder voldoende om de waarde te onderbouwen. De door eiser aangevoerde bezwaren, waaronder de keuze van referentiewoningen en de staat van onderhoud, zijn onvoldoende onderbouwd en worden door de rechtbank verworpen. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de referentiewoningen zorgvuldig zijn geselecteerd en dat rekening is gehouden met onderlinge verschillen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier A. Kasi op 10 augustus 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €172.000 wordt ongegrond verklaard.