ECLI:NL:RBMNE:2021:4625
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen terugvordering bijstand zelfstandige over 2019
Eiser, zelfstandig ondernemer sinds 2019, vroeg bijstand aan wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Verweerder kende bijstand toe als renteloze lening over de periode augustus 2019 tot februari 2020. Later stelde verweerder het recht op bijstand definitief vast op basis van het netto inkomen over 2019 en vorderde de verstrekte lening volledig terug.
Eiser voerde aan dat verweerder onjuist rekende en dat het jaarinkomen lager was dan berekend, mede omdat inkomsten al waren aangewend voor vaste lasten en schulden. Ook stelde eiser dat verweerder op de hoogte was van zijn situatie en dat terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft, mede door Covid-19.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het netto inkomen correct heeft vastgesteld volgens het Bbz 2004 en dat het fiscale inkomen niet relevant is. Het vertrouwensbeginsel faalt omdat verweerder duidelijk maakte dat definitieve vaststelling volgt. Dringende redenen voor terugvordering ontbreken, omdat schulden en de pandemie geen bijzondere individuele omstandigheden vormen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van bijstand over 2019 wordt ongegrond verklaard.