ECLI:NL:CRVB:2018:1716
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugbetalingsverplichting lening zelfstandige onder Bbz 2004 en inkomensbegrip PW
Appellante, een voormalige zelfstandige, ontving bijstand en leningen onder het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Na beëindiging van haar bedrijf stelde het college een terugbetalingsverplichting vast voor de openstaande lening. Appellante voerde aan dat bij de berekening van haar netto-inkomen rekening gehouden moest worden met haar feitelijke draagkracht, waaronder hoge zorgkosten en het ontbreken van toeslagen.
De rechtbank vernietigde het besluit van het college en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van haar argumenten. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het netto-inkomen zoals bedoeld in artikel 43, tweede lid, Bbz 2004 moet worden bepaald aan de hand van het inkomensbegrip uit de Participatiewet (PW). Dit betekent dat fiscale aftrekposten zoals zorgkosten en het ontbreken van toeslagen niet meegenomen hoeven te worden, maar wel de inkomstenbelasting en premies volksverzekering in mindering worden gebracht.
De Raad verwierp het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel omdat het college duidelijk had gemaakt dat de berekening van de aflossingsverplichting en het betalingsvoorstel op basis van draagkracht gescheiden onderwerpen zijn. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college het netto-inkomen correct heeft berekend volgens de Participatiewet en verklaart het beroep ongegrond.