Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Niet is gebleken dat de te late indiening van het bezwaarschrift eiser niet valt te verwijten.
Eiser heeft tot slot aangevoerd dat verweerder ten onrechte van horen heeft afgezien. De rechtbank overweegt dat met toepassing van artikel 7:3 van Pro de Awb - onder meer - van het horen kan worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. Deze situatie doet zich hier voor. Op basis van het door eiser ingediende bezwaarschrift kon verweerder in redelijkheid concluderen dat op voorhand duidelijk was het bezwaar niet-ontvankelijk is. Verweerder heeft het bezwaar daarom kennelijk niet ontvankelijk mogen verklaren. Van schending van de hoorplicht is dus geen sprake.