Appellant ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met toeslag voor zijn echtgenote. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluit van 13 juli 2018 de aflossingscapaciteit van appellant vast vanwege terugvordering van teveel ontvangen toeslag. Appellant diende op 10 oktober 2018 een bezwaarschrift in tegen dit besluit, maar de Svb verklaarde dit niet-ontvankelijk wegens te late indiening.
De rechtbank oordeelde dat het besluit per reguliere post was verzonden en dat appellant het besluit op 24 september 2018 telefonisch had gekend, waardoor de bezwaartermijn was verstreken. Appellant stelde in hoger beroep dat de Svb de verzending niet aannemelijk had gemaakt en dat het bezwaarschrift daarom tijdig was ingediend.
De Raad oordeelde dat de Svb geen deugdelijke verzendadministratie had overgelegd en dat het telefoongesprek op 24 september 2018 geen juiste bekendmaking van het besluit was. Hierdoor was de bezwaartermijn pas aangevangen op 23 oktober 2018, na toezending van het besluit aan appellant. Het bezwaarschrift van 10 oktober 2018 was daarmee prematuur en tijdig ingediend.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en gaf de Svb opdracht om opnieuw op het bezwaar te beslissen. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellant, inclusief vergoeding van griffierechten.