ECLI:NL:RBMNE:2021:4830
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op bijzondere bijstand voor huurdoorbetaling tijdens detentie
Eiser, die sinds november 2019 in detentie zat, verzocht om bijzondere bijstand voor het doorbetalen van zijn huur gedurende zijn detentieperiode. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Almere, wees dit verzoek af omdat het beleid alleen voorziet in bijzondere bijstand bij detentie tot zes maanden. Eiser stelde dat vanwege zijn PTSS en kwetsbare situatie sprake was van zeer dringende redenen en dat het niet doorbetalen van de huur zijn privéleven onevenredig zou schaden, mede op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het buitenwettelijke begunstigende beleid consistent heeft toegepast door de bijzondere bijstand te weigeren na een detentieperiode langer dan zes maanden. De rechtbank stelde vast dat het beroep op zeer dringende redenen niet slaagt omdat het verlies van de woning geen acute noodsituatie oplevert. Ook bood artikel 8 EVRM Pro geen grond voor bijzondere bijstand, aangezien het niet doorbetalen van de huur het privé- en gezinsleven van eiser niet onmogelijk maakt.
De rechtbank verleende eiser vrijstelling van griffierecht wegens zijn omstandigheden en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van bijzondere bijstand voor huurdoorbetaling tijdens detentie wordt ongegrond verklaard.