ECLI:NL:RBMNE:2021:492
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Recht op uitbetaling kinderbijslag bij co-ouderschap en gewijzigde familierechtelijke beschikking
Eiser heeft kinderbijslag aangevraagd voor zijn dochter, maar de Sociale Verzekeringsbank (verweerder) heeft deze aanvraag afgewezen op grond dat de kinderbijslag moet worden uitbetaald aan de ouder bij wie het kind de meeste nachten verblijft, in dit geval [A].
Eiser en [A] zijn gescheiden en hebben een convenant/ouderschapsplan waarin is afgesproken dat de kinderbijslag aan [A] wordt uitbetaald. Hoewel de hoofdverblijfplaats van de dochter volgens de familierechtelijke beschikking van 7 februari 2020 bij eiser zou zijn, woont het kind feitelijk 60-65% van de tijd bij [A].
De rechtbank overweegt dat beide ouders recht hebben op kinderbijslag, maar dat de uitbetaling volgens de Algemene Kinderbijslagwet aan de ouder moet plaatsvinden bij wie het kind het meest verblijft. De beleidsregel SB1096 bevestigt dat bij co-ouderschap afspraken in een convenant gevolgd mogen worden, tenzij de feitelijke situatie daarvan afwijkt, wat hier niet het geval is.
De rechtbank wijst erop dat de discussie over de financiële gevolgen van de alimentatie en kinderbijslag een zaak is voor de familierechter. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de beslissing van verweerder bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de kinderbijslag wordt uitbetaald aan de ouder bij wie het kind het meest verblijft.