ECLI:NL:RBMNE:2021:5005
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van een rijwoning in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een in 1981 gebouwde rijwoning in Utrecht centraal. Verweerder heeft de waarde vastgesteld op €254.000,- per 1 januari 2019, welke eiser betwist en een lagere waarde van €246.000,- vordert. De rechtbank toetst of de waarde niet te hoog is vastgesteld aan de hand van een taxatiematrix met vier vergelijkingswoningen.
Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, door de woning te vergelijken met vier referentiewoningen die qua ligging, woonoppervlakte en uitstraling vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat de verkoopdata, ook die van meer dan een jaar voor de waardepeildatum, acceptabel zijn mits rekening wordt gehouden met marktontwikkelingen, wat hier is gebeurd.
Eiser heeft diverse beroepsgronden aangevoerd, waaronder de bruikbaarheid van referentiewoningen, de ligging nabij een tramspoor en de gedateerde indruk van de woning. Deze gronden zijn door de rechtbank ongegrond verklaard omdat verweerder voldoende inzicht heeft gegeven in de waardebepaling en de verschillen tussen de woningen, en er geen bewijs is dat de ligging of voorzieningen de waarde negatief beïnvloeden.
De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde van €254.000,- niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €254.000,- wordt ongegrond verklaard.