ECLI:NL:RBMNE:2021:502
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toestemming tot vaststellingsovereenkomst in faillissement ondanks bezwaar grootste schuldeiser
In het faillissement van [onderneming 1] B.V. vroegen de curatoren toestemming om een vaststellingsovereenkomst te sluiten met verschillende partijen over geschillen betreffende aandelen en een vordering. Rabobank, als grootste schuldeiser en pandhouder van de vordering, verzette zich tegen deze overeenkomst op grond van vermeende schending van haar pandrecht en ongunstige voorwaarden.
De rechtbank overwoog dat artikel 69 Fw Pro niet bedoeld is om persoonlijke rechten van Rabobank eenvoudig te doen gelden, maar om fouten in het boedelbeheer te corrigeren. De curatoren mochten twijfelen aan de geldigheid van het pandrecht van Rabobank, waarvoor nader onderzoek nodig is dat in deze procedure niet kan plaatsvinden. De vaststellingsovereenkomst wijzigt het pandrecht niet.
Verder werd geoordeeld dat de voorgestelde verdeling van 70% voor de curatoren en 30% voor de andere schuldeisers redelijk is, gezien de onzekerheid over de waarde van de aandelen en de kosten en risico's van voortzetting van de procedure. De bezwaren van Rabobank over de termijn en de hoogte van vorderingen werden niet gevolgd.
De rechter-commissaris wees daarom het verzoek van Rabobank af en stond het verzoek van de curatoren toe onder de voorwaarde dat het besluit over het bezwaar van Rabobank onherroepelijk is geworden.
Uitkomst: De rechter-commissaris staat de curatoren toe een vaststellingsovereenkomst te sluiten, ondanks het bezwaar van Rabobank.