Conclusie
[verzoeker])
adv.: mr. Y.E.J. Geradts
Mr. B.G. Arends,in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verzoeker] (hierna:
de Curator)
adv.: mr. M.A.J.G. Janssen
Mr. O.B.J. Poorthuis
Mr. P.R. Dekker
Poorthuisresp.
Dekker)
Mr. G. te Biesebeek,in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van 2SQR Participatiemaatschappij B.V. en een andere vennootschap (tezamen met Poorthuis en Dekker) (hierna:
Te Biesebeek)
Mr. R.C.M. Michielsen, in hoedanigheid van curator in het faillissement van [de B.V.] en als vereffenaar van Onki Vastgoed B.V. in liquidatie (hierna:
Michielsen)
Accessio Investment B.V.
adv.: mr. B.I. Kraaipoel
de Belanghebbenden.
1.Feiten en procesverloop
VSO) gesloten, onder voorbehoud van goedkeuring door de rechter-commissaris.
[betrokkenen]) heeft [verzoeker] op voet van art. 126 Fw Pro alle vorderingen betwist, onder welke die van de partijen bij de VSO. Ter zake van een drietal vorderingen die betrokken zijn in de VSO zijn partijen vanwege de ter vergadering gedane betwistingen door de Curator en [betrokkenen] verwezen naar de renvooiprocedure ter zitting van 30 augustus 2023.
[verzoeker] is als belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn standpunt toe te lichten. [verzoeker] heeft op verschillende gronden betoogd dat de rechter-commissaris geen goedkeuring moet verlenen aan de Curator om de VSO met de Belanghebbenden aan te gaan.
primair, dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in het hoger beroep en,
subsidiair, dat de beschikking van de rechter-commissaris moet worden bekrachtigd.
bestreden beschikking) heeft de rechtbank Oost-Brabant [verzoeker] in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
H/Dekker en Te Biesebeek q.q.) [11] heeft miskend, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze rechtsregel in dit geval niet van toepassing is. Als de VSO wordt aangegaan, kan met de gerechtvaardigde belangen van [verzoeker] geen rekening meer worden gehouden. Uit genoemde beschikking van uw Raad volgt dat hij dan ontvankelijk moet zijn in het hoger beroep van de art. 104 Fw Pro-beschikking. Dit volgt ook uit het hogere verdragsrecht, op grond waarvan toegang tot een onafhankelijke rechter moet zijn gewaarborgd (art. 6 EVRM Pro) als ‘eigendom’ wordt aangetast (art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM), aldus het middel.
H/Dekker en Te Biesebeek q.q.biedt art. 126 Fw Pro [verzoeker] in dit geval geen bescherming, omdat hij na afstand door de Belanghebbenden van hun vorderingen deze vorderingen niet meer kan betwisten (p.i., p. 5 en 9).
Faillissement Beton- en Kunststeenindustrie Edelbeton C.V. [23] Daarentegen leiden anderen uit deze eerdere uitspraak ook voor het thans geldende recht af dat alle faillissementsschuldeisers ontvankelijk zijn in hoger beroep tegen een op grond van art. 104 Fw Pro verleende goedkeuring. [24]
gefailleerdegeldt in elk geval géén algemene regel waaruit voortvloeit dat hij op de voet van art. 67 Fw Pro in hoger beroep kan opkomen tegen een op grond van art. 104 Fw Pro verleende goedkeuring. [26] Dit blijkt uit een drietal beschikkingen van 15 maart 2013. [27] Daarin heeft uw Raad geoordeeld dat de onderscheidene gefailleerden niet als ‘partij’ waren aan te merken bij het verlenen van de op voet van art. 104 Fw Pro verzochte goedkeuring voor een vaststellingsovereenkomst. In die gevallen ging het steeds om een vaststellingsovereenkomst waarmee een einde werd gemaakt aan een procedure die voorafgaand aan de faillietverklaring tegen de schuldenaar was aangespannen en na de faillietverklaring door de curator was overgenomen. Uw Raad overwoog in deze, wat dit betreft gelijkluidende, beschikkingen als volgt:
Van Galen q.q./B. e.a. [28] overwoog uw Raad als volgt:
H/Dekker en Te Biesebeek q.q. [29] heeft uw Raad een uitzondering op de hiervoor (onder 2.11) beschreven hoofdregel aangenomen voor het bijzondere geval dat er voor de gefailleerde niet op andere wijze in bescherming van zijn belangen is voorzien:
NJ1957/523). Indien de belastingplichtige in staat van faillissement verkeert en een vordering uit hoofde van een belastingaanslag ter verificatie is ingediend, kan ook de curator de juistheid of de hoogte daarvan alleen aantasten door gebruik te maken van de daartoe aangewezen bestuursrechtelijke weg (vgl. HR 21 februari 1964, ECLI:NL:HR:1964:96,
NJ1964/208). Wordt die weg niet of niet met succes bewandeld, dan staat de (hoogte van de) aanslag jegens alle betrokkenen vast. Dit betekent dat in het faillissement van de belastingplichtige met diens belangen ten aanzien van een aan hem opgelegde belastingaanslag geen rekening kan worden gehouden op de hiervoor in 3.4.3 bedoelde wijze. Dat brengt mee dat de gefailleerde belastingplichtige de mogelijkheid dient te hebben om op te komen tegen een beschikking van de rechter-commissaris als de onderhavige waarbij aan de curator toestemming wordt verleend om op de voet van art. 8:22 lid 1 Awb Pro in verbinding met art. 27 lid 3 Fw Pro een door de belastingplichtige ingestelde bestuursrechtelijke procedure over een belastingaanslag over te nemen en nadien terstond in te trekken. Een behoorlijke rechtsbescherming brengt dan ook mee dat die beschikking voor de gefailleerde belastingplichtige bij wijze van uitzondering op de voet van art. 67 Fw Pro voor hoger beroep vatbaar is.”
Van Galen q.q./B. e.a.stond uw Raad de gefailleerde toe op te komen tegen een vergroting van het passief van de boedel omwille van een eventueel aan de gefailleerde toekomend overschot na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst; in
H/Dekker en Te Biesebeek q.q.ging het om een vordering waartegen de gefailleerde na beëindiging van het faillissement niet meer zou kunnen opkomen, omdat de wettelijke, specifiek op dit geval toegesneden bescherming van art. 126 Fw Pro was uitgeschakeld.
Van Galen q.q./Ben
H/Dekker en Te Biesebeek q.q. bestaat er naar mijn mening in het onderhavige geval geen ruimte voor ontvankelijkheid van gefailleerde [verzoeker] . Deze procedure draait om een vaststellingsovereenkomst waarbij enerzijds de Belanghebbenden afstand doen van hun (gepretendeerde) vorderingen op [verzoeker] en anderzijds de Curator afstand doet van [verzoeker] (gepretendeerde) vorderingen op de Belanghebbenden. Aan de orde is derhalve noch een toename van de passieve zijde van de boedel, noch het vast komen te staan van een vordering op [verzoeker] zonder de mogelijkheid van verweer na beëindiging van het faillissement. Er is in ieder geval geen sprake van ongewenste uitschakeling van art. 126 Fw Pro als aan de orde in de zaak
H/Dekker en Te Biesebeek q.q. Indien met het middel wordt aangenomen dat er “niets meer te betwisten valt”, is de bescherming van art. 126 Fw Pro niet in het geding. Deze bepaling dient er, anders dan het middel (p. 5) voorts lijkt aan te nemen, niet toe om het wegvallen van boedelactief tegen te gaan. Ook tast de goedkeuring van de vaststellingsovereenkomst de vermogensrechten van [verzoeker] niet verder aan dan reeds voortvloeit uit het faillissement zelf. Doordat de gefailleerde de beschikking en het beheer over het faillissementsvermogen heeft verloren (art. 23 Fw Pro) wordt zijn rechtspositie niet wezenlijk anders indien de curator een vaststellingsovereenkomst aangaat. [30]
H/Dekker en Te Biesebeek q.q.niet op het onderhavige geval van toepassing te achten.