Uitspraak
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[derde belanghebbende], te [woonplaats] .
Inleiding
OverwegingenBeroep tegen de last onder dwangsom van 6 oktober 2020 (het bestreden besluit I)
Beroep tegen de last onder dwangsom van 1 april 2021 (het bestreden besluit II)Bestemmingsplan
Grondslag bestreden besluit van 1 april 2020
Is er sprake van een overtreding?Overgangsrecht
de hoogte van de andere bouwwerken bedraagt maximaal 5,5 m en van erf/perceelafscheidingen ten hoogste 2 m’.Gelet op het feit dat de hoogte van de schutting niet hoger is dan 2 meter, is de schutting gebouwd in overeenstemming met het bestemmingsplan Berg. Voor de schutting was ten tijde van de bouw dus geen omgevingsvergunning nodig om af te wijken van het bestemmingsplan. In het huidige bestemmingsplan is in artikel 50.2 het overgangsrecht voor gebruik geregeld. In artikel 50.2, onder a, van de planregels is bepaald dat ‘
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet’. In artikel 50.2, onder d, wordt daaraan toegevoegd dat dit niet zo is als het gebruik
‘reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan’. Omdat het gebruik van de schutting van eiser niet in strijd was met het bestemmingsplan Berg, mag eiser op grond van artikel 50.2, onder a, van de planregels van het huidige bestemmingsplan het gebruik van de schutting voortzetten. Het gebruik van de schutting tot een hoogte van 2 meter is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het huidige bestemmingsplan. Dat betekent dat eiser artikel 2.1, onder c, van de Wabo niet heeft overtreden, omdat eiser een geslaagd beroep kan doen op het overgangsrecht. Verweerder heeft dat niet onderkend. De beroepsgrond slaagt. Het voorgaande betekent dat verweerder enkel bevoegd was om handhavend op te treden wegens strijd met artikelen 2.1, eerste lid, onder a, en 2.3a, eerste lid, van de Wabo.
Vertrouwensbeginsel
de schutting en de berging mogen worden behouden tot het moment dat de huidige bewoner vertrekt. Op dat moment dienen de schutting en de schuur te worden gesloopt en dient de situatie in overeenstemming te worden gebracht met het bestemmingsplan’. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze passage gekwalificeerd te worden als een toezegging dat niet handhavend opgetreden zal worden tegen de schutting tot het moment dat eiser zal gaan verhuizen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de hiervoor genoemde passage uitsluitend van toepassing is op de schutting aan de zijkant van de woning van eiser. De rechtbank acht in dat kader van belang dat verweerder in de brief van 12 september 2019 op geen enkele wijze dit vermeende onderscheid kenbaar maakt aan eiser. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat in het inspectierapport dat enkele dagen na het handhavingsverzoek is opgemaakt, de toezichthouder een beoordeling heeft gemaakt van zowel de schutting aan de voorkant van de woning als van de schutting aan de zijkant van de woning. De rechtbank stelt verder vast dat de brief van 12 september 2019 is verstuurd namens het college van B&W. Daarmee is de toezegging afkomstig van het bestuursorgaan dat bevoegd is om handhavend op te treden.
Conclusie