ECLI:NL:RBMNE:2021:6218
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstand, verrekening proceskosten en brutering vordering
Eiseres ontving vanaf eind 2019 bijstand als alleenstaande. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok de bijstand in maart 2020 in wegens het niet langer duurzaam gescheiden leven, met terugvordering van een bedrag. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank dit besluit, waardoor eiseres haar bijstand behield en de terugvordering verviel. Vervolgens verleende het college bijstand vanaf 26 juni 2020, maar weigerde terugwerkende kracht toe te kennen naar 5 juni 2020, ondanks dat eiseres stelde dat zij eerder een aanvraag wilde doen.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij zich eerder dan 26 juni 2020 kon melden voor bijstand. Ook werd geoordeeld dat het college bevoegd was om proceskosten die aan eiseres waren toegekend te verrekenen met een openstaande vordering, omdat aan eiseres een toevoeging was toegekend voor de bezwaarprocedure. Ten aanzien van de brutering van de vordering bevestigde de rechtbank dat het college bevoegd was om de vordering inclusief loonbelasting en premies te verhogen, ondanks dat eiseres stelde dat de vordering onterecht was ontstaan.
De rechtbank wees alle beroepen ongegrond en bevestigde dat het hoger beroep tegen eerdere uitspraken schorsende werking heeft, waardoor de besluiten van het college nog rechtskracht bezitten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter S.G.M. van Veen op 30 november 2021.
Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen de besluiten over bijstand, proceskostenverrekening en brutering worden ongegrond verklaard.