ECLI:NL:RBMNE:2022:1384
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde appartement in Utrecht
De zaak betreft een beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement te Utrecht voor het belastingjaar 2020. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente, had de waarde vastgesteld op €1.320.000,- met als waardepeildatum 1 januari 2019. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en maximaal 10% hoger dan de waarde van €564.000,- op de vorige waardepeildatum 1 januari 2018 mocht zijn.
Tijdens de behandeling op 9 november 2021, waarbij eiser niet persoonlijk verscheen maar wel zijn gemachtigde, heeft de rechtbank de standpunten van partijen gehoord. Eiser voerde onder meer aan dat verweerder geen verslag van de hoorzitting en grondstaffels had overgelegd en dat onvoldoende rekening was gehouden met de VVE-reserves. Deze gronden werden door de rechtbank verworpen omdat verweerder aannemelijk had gemaakt dat met de VVE-reserves rekening was gehouden en geen woordelijk verslag vereist was.
De rechtbank benadrukte dat de WOZ-waarde jaarlijks wordt bepaald op basis van marktgegevens en verkoopwaarden van referentiewoningen rond de waardepeildatum, waardoor vergelijking met eerdere waardes niet doorslaggevend is. Verweerder ondersteunde zijn waardering met een taxatiematrix en marktgegevens van vergelijkbare appartementen, waaronder een vrijwel identiek appartement dat kort voor de waardepeildatum voor dezelfde prijs was verkocht.
De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was en wees het beroep ongegrond. Daarnaast werd het verzoek tot vergoeding van immateriële schade afgewezen wegens het ontbreken van een overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.320.000,- wordt ongegrond verklaard.