ECLI:NL:RBMNE:2022:1633
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J. van Es – de Vries
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een woning in Utrecht, vastgesteld op €420.000,- per 1 januari 2020. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €349.000,- voor. Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen zijn opgenomen.
De rechtbank beoordeelt of de door verweerder gehanteerde waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de referentiewoningen in dezelfde buurt liggen, qua bouwjaar en uitstraling vergelijkbaar zijn, en recentelijk rond de waardepeildatum zijn verkocht. De taxatiematrix houdt rekening met verschillen in gebruiksoppervlakte en andere kenmerken.
Eiser heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd, waaronder het niet overleggen van stukken in bezwaar, onvolledige weergave van de hoorzitting, en onjuiste vergelijkingen. De rechtbank wijst deze gronden af, onder meer omdat verweerder de stukken tijdig heeft verstrekt en de taxatiematrix als bewijsmiddel is toegestaan. Ook het voorzieningenniveau en afwijkende oppervlaktematen zijn door verweerder gemotiveerd betwist en door de rechtbank gevolgd.
De rechtbank concludeert dat verweerder de waarde op een juiste wijze heeft vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €420.000,- wordt ongegrond verklaard.