ECLI:NL:RBMNE:2022:1634
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J. van Es – de Vries
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde van woning in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een bovenwoning in Utrecht per 1 januari 2020 ter discussie. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op € 423.000,-, terwijl eiser een lagere waarde van € 283.000,- vorderde. De rechtbank beoordeelde of de waarde in het economisch verkeer juist was bepaald aan de hand van de vergelijkingsmethode.
Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin vier referentiewoningen in dezelfde straat werden vergeleken. De rechtbank oordeelde dat deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en dat de verschillen in gebruiksoppervlakte en staat van onderhoud adequaat waren verwerkt. De m2-prijs van de woning lag lager dan het gemiddelde van de referentiewoningen.
Eiser voerde meerdere bezwaren aan, onder meer over de gehanteerde referentiewoningen, de staat van onderhoud en de oppervlaktegegevens. Deze bezwaren werden door de rechtbank verworpen omdat verweerder de waardering voldoende aannemelijk had gemaakt en eiser zijn standpunten onvoldoende onderbouwde.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat er geen aanleiding is tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter J. van Es – de Vries op 21 maart 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 423.000,- wordt ongegrond verklaard.