ECLI:NL:RBMNE:2022:2451
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
OZB-heffing en woondelenvrijstelling bij instelling gesloten jeugdzorg
Stichting Intermetzo Zorg betwistte de heffingsgrondslag voor de onroerendezaakbelasting (OZB) over een instelling voor gesloten jeugdzorg, waarbij zij een beroep deed op de woondelenvrijstelling uit artikel 220e van de Gemeentewet. De instelling bestaat uit onder meer drie paviljoens met wooneenheden voor cliënten die jongeren met complexe gedragsproblemen huisvesten.
De rechtbank stelde vast dat de WOZ-waarde niet in geschil was, maar dat het geschil draaide om de vraag of de paviljoens als woondelen konden worden aangemerkt en dus vrijgesteld van OZB. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het bestaan van woondelen bij eiseres lag en dat de heffingsambtenaar niet verplicht was ter plaatse onderzoek te doen.
Op basis van vaste rechtspraak en jurisprudentie van de Hoge Raad en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd geoordeeld dat het verblijf van cliënten in de instelling niet duurzaam is, maar gericht op kortdurende plaatsing met het oog op doorstroming naar een open instelling. De aanwezigheid van voorzieningen zoals een school en recreatiefaciliteiten op het terrein maakte dit niet anders.
Daarom kon de waarde van de paviljoens niet buiten aanmerking worden gelaten bij de vaststelling van de OZB-heffingsgrondslag. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en proceskosten werden niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de OZB-heffing wordt ongegrond verklaard omdat het verblijf niet duurzaam is en geen recht op woondelenvrijstelling bestaat.