Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.INLEIDING
- [benadeelde 1] ;
- [benadeelde 2] ;
- [benadeelde 3] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 4] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 6] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers.
- ‘ [PGP gebruikersnaam B 1] ’;
- ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’;
- ‘ [PGP gebruikersnaam B 3] ’;
- ‘ [PGP gebruikersnaam B 4] ’.
vermoedelijk [B], daar waar zij deze sterke aanwijzingen ziet.
- alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Eris-verdachten, met uitzondering van de processen-verbaal over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten;
- alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van de verdachten zijn opgemaakt, met uitzondering van enkele getuigenverklaringen in de zaak Waterspin die alleen in de zaken van verdachten [medeverdachte 15] en [medeverdachte 20] zijn opgenomen;
- documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer verdachten.
2.TENLASTELEGGING
VOORVRAGEN,
OVERWEGINGEN EN ALGEMENE CONCLUSIES MET BETREKKING TOT DE KROONGETUIGE
NJ1996, 527 ro. 7.7). Daarvoor is meer nodig. De enkele omstandigheid dat het onderzoek Goudvink en het onderzoek Langenhorst beide onderdeel uitmaken van het onderzoek Eris is daarvoor onvoldoende. Andere aanvullende feiten of omstandigheden heeft de verdediging echter niet aangevoerd en zijn ook de rechtbank niet gebleken. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.
. [1] De rechtbank wijst er overigens in dit verband op dat de kluisverklaringen door [medeverdachte 1] reeds zijn afgelegd vóórdat de strafvorderlijke overeenkomst met hem is gesloten, dus zonder dat hij wist óf de overeenkomst gesloten zou worden en zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de beschermingsovereenkomst nóg later, namelijk pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf zullen worden bepaald. Dit levert dus geen aanwijzing op dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst.
eigenverhaalsmogelijkheden bij [medeverdachte 1] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden heeft kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS EN DE CONCLUSIES VAN DE VEREDELINGEN
- [medeverdachte 5] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’ (tussen 18 en 20 februari 2017), ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’ en [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] (deelonderzoek Goudvink);
- [medeverdachte 6] is de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’;
- [medeverdachte 7] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’;
- [medeverdachte 17] heeft de bijnaam ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 17] ’.
28 juni 2017
Verklaringen van [medeverdachte 1]
Onderbouwing van de verklaringen van [medeverdachte 1] en overige bewijsoverwegingen
De voorverkenning
Verplaatsen naar de loods aan de [locatie 21] in [plaats 11]
Verplaatsen naar [plaats 3]
‘Beschieting’ met raketwerper
29 juni 2017
Beschieting [adres 1] – [adres 2]
Verklaringen van [medeverdachte 1]
Onderbouwing van de verklaringen van [medeverdachte 1] en overige bewijsoverwegingen
Vasstellen van de juiste woning
Handgranaten
[medeverdachte 2] en [verdachte] geregeld als uitvoerders
Vertrekken vanaf [plaats 8] naar de loods in [plaats 11]
Het achterhalen van de telefoons in [plaats 11]
Het schieten op de [adres 1] te [plaats 3]
Vluchten naar [plaats 14] – [bedrijf 1]
Het ophalen door [C]
Onderzoek Kalasjnikov door [medeverdachte 2]
De rol van [verdachte]
Liquidatie van [slachtoffer 17]
Forensisch onderzoek
Getuigen
Beschouwing naar aanleiding van het forensisch onderzoek en de plaats delict-getuigen
Het scenario waarbij [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 17] betrokkenheid hebben bij de liquidatie van [slachtoffer 17]
De rol van [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 17]
Omslag in het denken van de rechtbank
Aanhouding 1 augustus 2018 met vuurwapen, demper en patronen in een gestolen voertuig
BMW en rugtas van [verdachte]
PGP-telefoon van [verdachte]
Eerdere bezoeken aan [plaats 9]
PGP-gesprek over [slachtoffer 18] op een onder [medeverdachte 5] inbeslaggenomen telefoon
De rol van [verdachte]
De criminele organisatie
De deelnemers aan de criminele organisatie
deelneming aaneen organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr Pro ligt tevens een opzetvereiste van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor ‘deelneming’ voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd (zie Hoge Raad 18 november 1997, NJ 1998/225). Ook hoeft de verdachte geen opzet op die concrete misdrijven te hebben (zie Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651).\
5.BEWEZENVERKLARING
- een vuurwapen en
- een hoeveelheid scherpe patronen
- een vuurwapen (automatisch vuurwapen CZ) en geluiddemper (Heckler en Koch) en een patroonmagazijn gevuld met patronen en
- een van diefstal afkomstige auto van het merk BMW type 118i met valse kentekenplaten ( [kenteken] ) en
- een PGP-telefoon en
- het opzettelijk met voorbedachten rade een ander van het leven beroven zoals bedoeld in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht en
- voorbereiding daarvan zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht en
- het voorhanden hebben van wapens van de categorieën II en III en van munitie van categorieën II en III zoals bedoeld in de Wet Wapens en Munitie.
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
“externe hulpverlening, met name de psychiater en een EMDR-therapeut.”Of deze verwijzing echter heeft geleid tot het daadwerkelijk vaststellen van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan de rechtbank niet beoordelen, omdat van deze mogelijke hulpverleners geen stukken ter onderbouwing door de benadeelde partij in het geding gebracht zijn. Dit maakt dat de rechtbank onvoldoende in staat is om in deze zaak naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel in rechte vast te stellen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 36f, 46, 47, 57, 60a, 63, 140, 141 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
11.BESLISSING
- wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 1.200,-, bestaande uit € 450,- materiële schade en € 750,- immateriële schade;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft de meer gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 1.200,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 14 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 947,08,-, bestaande uit € 197,08 materiële schade en € 750,- immateriële schade;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 947,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 11 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 1.503,28, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart [benadeelde 3] voor wat betreft de meer gevorderde materiële schade en de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat € 1.503,28 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 18 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- wijst de vordering van [benadeelde 4] toe tot een bedrag van € 14.700,-, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart [benadeelde 4] voor wat betreft de meer gevorderde materiële schade en de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 4] aan de Staat € 14.700,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 217 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 171 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- wijst de vordering van [benadeelde 5] toe tot een bedrag van € 2.449,37, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 5] aan de Staat € 2.449,37 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 28 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- wijst de vordering van [benadeelde 6] toe tot een bedrag van € 10.153,20, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 6] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart [benadeelde 6] voor wat betreft de meer gevorderde materiële schade en de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 6] aan de Staat € 10.153,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 118 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
- een vuurwapen en/of
- een hoeveelheid (scherpe) patronen, althans munitie,
- een vuurwapen (automatisch vuurwapen CZ) en/of geluiddemper (Heckler en Koch) en/of een patroonmagazijn gevuld met (een) patro(o)n(en) en/of
- een (van diefstal afkomstige) auto van het merk BMW type 118i met (valse) kentekenplaten ( [kenteken] ) en/of
- een of meer (PGP) telefoons en/of
- een navigatiesysteem (merk TomTom)
- het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven beroven (zoals bedoeld in artikel 287 en Pro/of artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht) en/of
- voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht), en/of
- het voorhanden hebben van en/of overdragen van één of meer wapens van de categorieën 1 en/of II en/of III en/of van munitie van categorieën II en/of III (zoals bedoeld in de artikelen 13 en/of 14 en/of 26 en/of 31 van de Wet Wapens en Munitie).