ECLI:NL:RBMNE:2022:2640
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond WOZ-beroep tegen vastgestelde waarde hoekwoning per 1 januari 2020
Eiser stelde beroep in tegen de WOZ-waarde van zijn in 2019 gebouwde hoekwoning, die door de gemeente voor het belastingjaar 2021 was vastgesteld op €284.000,- met peildatum 1 januari 2020. Eiser vorderde een lagere waarde van €271.000,-. De gemeente onderbouwde haar waardering met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen werden gebruikt.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. De referentiewoningen waren vergelijkbaar qua ligging, bouwjaar en uitstraling, en de waardeverhouding was inzichtelijk gemaakt. Eiser voerde procedurele bezwaren aan over het niet inzichtelijk maken van het indexeringspercentage en KOUDV-factoren, maar deze werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
Verder werd het beroep verworpen dat de vrij op naam-prijs van de woning leidend zou moeten zijn, omdat deze prijs ver voor de waardepeildatum was overeengekomen en onduidelijk was welke voorzieningen waren inbegrepen. De rechtbank volgde de gemeente hierin. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €284.000,- is ongegrond verklaard.