Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2022 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigden:drs. B. Bouwman en mr. K. Hammouti).
Inleiding
In de besluiten op bezwaar van 30 oktober 2020 en 10 november 2020 heeft verweerder aanvullend beslist op het Wob-verzoek van 24 april 2019. Ook tegen deze besluiten zijn de beroepen gericht.
Totstandkoming van de besluiten
“Op 27 augustus stuurt de aanvrager van de hondenkennel een brief aan de raad waarin wordt verzocht het perceel aan de [straat] buiten het bestemmingsplan te laten. Deze brief is gestuurd na overleg met en op suggestie van ambtenaren van de gemeente. De inschatting is dat in de raad in het kader van de behandeling van het bestemmingsplan veel weerstand zou zijn tegen de hondenkennel en dat dit het omgevingsvergunning traject in de wielen zou rijden.”Uit deze passage kan weliswaar worden afgeleid dat er ambtenaren van de gemeente hebben overlegd met de aanvrager voordat de brief van de aanvrager aan de raad is gestuurd, maar daaruit blijkt niet dat er vooraf een concreet schriftelijk advies is uitgebracht over deze kwestie. Ook het door eisers genoemde document 48 wijst er niet op dat er concrete adviezen of verslagen van overleggen zijn gemaakt, die verweerder niet heeft overgelegd, terwijl die er wel moeten zijn.
“Bij de nummers 6 en 12 ontbreekt volgens u een bijlage, terwijl er geen melding is gemaakt van een reden dat deze niet openbaar gemaakt zou kunnen worden.Onze reactie:Deze bijlagen hebben wij met deelbesluit 3 van 13 augustus 2019 (verzonden op 14 augustus 2019) openbaar gemaakt.”
Voor document 102 geldt dat op de inventarislijst staat dat dit document geweigerd is mede onder toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Bij lezing van het bestreden besluit blijkt echter dat dit een fout is. Op dit document heeft verweerder namelijk de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob toegepast. De fout op de inventarislijst, is een slordigheid die verder geen juridische gevolgen heeft. Verweerder heeft de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob op juiste wijze toegepast en de beroepsgrond van eisers dat verweerder deze weigeringsgrond te breed zou hebben ingezet, slaagt daarom niet.
Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob en 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob
Beslissing
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van de besluiten van 20 oktober 2020 en 22 oktober 2020 in stand blijven;
- verklaart het beroep UTR 21/986 gegrond voor zover verweerder daarin een te beperkte zoekslag heeft verricht naar communicatie tussen de gemeente, de vergunninghouder en [bedrijf] B.V.;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- verklaart het beroep UTR 20/4370 ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht voor de procedure UTR 20/4367 en UTR 21/986 ter hoogte van € 356,- (2 x van € 178,- ) aan eisers moet vergoeden;
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
5 Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.
1 Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
[…] c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
[…]
2 Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…]
e.de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
[…]
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
1 In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
[…].