Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:3328

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juli 2022
Publicatiedatum
18 augustus 2022
Zaaknummer
21/5106
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen beëindiging Ziektewet-uitkering wegens verdiencapaciteit

Eiseres ontving vanaf januari 2020 een WW-uitkering en werd vanaf februari 2020 ziekgemeld bij het UWV. In april 2020 werd haar een Ziektewet-uitkering toegekend. In maart 2021 besloot het UWV de uitkering stop te zetten omdat eiseres vanaf februari 2021 meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen. Eiseres maakte bezwaar en verzocht om herziening, maar dit werd afgewezen. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank beoordeelde of er sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die het besluit tot beëindiging van de uitkering konden herzien. Eiseres stelde dat haar psychische aandoeningen onvoldoende waren meegewogen, onder meer vanwege een nieuwe diagnose van meerdere persoonlijkheidsstoornissen en PTSS sinds mei 2021. De rechtbank oordeelde dat de medische rapporten van verzekeringsartsen geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die aanleiding geven tot herziening.

De rechtbank wees erop dat de gezondheidstoestand op de peildatum 19 april 2021 bepalend is en dat latere ontwikkelingen niet relevant zijn. Ook de door eiseres genoemde richtlijn OPSF was niet nieuw, aangezien deze al bestond voor het besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/5106

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: J.G. Bredewout),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,(het Uwv), verweerder

(gemachtigde: R. van den Brink).

Procesverloop

Eiseres ontving vanaf 10 januari 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Per 25 februari 2020 is eiseres ziekgemeld bij het Uwv. Op 20 april 2020 heeft het Uwv aan eiseres een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
Bij besluit van 18 maart 2021 (het primaire besluit I) heeft het Uwv bepaald dat eiseres vanaf 19 april 2021 geen ZW-uitkering meer ontvangt omdat zij vanaf 25 februari 2021 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
Bij besluit van 26 juli 2021 (het primaire besluit II) heeft het Uwv bepaald dat er geen aanleiding bestaat om het besluit van 18 maart 2021 te herzien.
Bij besluit van 8 november 2021 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres gericht tegen het besluit van 18 maart 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is het bezwaar van eiseres gericht tegen het beluit van 26 juli 2021 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2022. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres in haar beroepschrift geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen het bestreden besluit voor zover dat ziet op de
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar dat is gericht tegen het besluit van 18 maart 2021. Eerst ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat het te laat indienen van het bezwaar haar niet is te verwijten. De rechtbank zal deze beroepsgrond van eiseres niet bij de beoordeling van de zaak betrekken omdat sprake is van strijd met de goede procesorde. Niet valt in te zien waarom eiseres deze beroepsgrond niet eerder naar voren had kunnen brengen.
2. In geschil is of er aanleiding bestaat om het besluit van 18 maart 2021 te herzien. Bij dit besluit is bepaald dat eiseres geen ZW-uitkering meer krijgt vanaf 19 april 2021 omdat zij vanaf 25 februari 2021 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
3. Eiseres voert in beroep aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen die voortvloeien uit haar psychische aandoeningen. Volgens eiseres is de informatie die is overgelegd over haar psychische gezondheid en behandelingen onvoldoende meegewogen. Eiseres wijst erop dat behandeling bij [geestelijke gezondheidszorg] sinds 11 februari 2022 is gestart. Aan de hand van een uitgebreid onderzoek is vast komen te staan er sprake is van meerdere persoonlijkheidsstoornissen. De problemen in het leven van eiseres zijn de afgelopen jaren steeds groter geworden. Volgens eiseres hebben de artsen zich onvoldoende gerealiseerd dat er geen benutbare mogelijkheden meer zijn. Er is door de artsen geen zorgvuldig onderzoek gedaan. Er is niet voldaan aan de richtlijn ‘Opname in Ziekenhuis of Instelling, Bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid en Onvermogen tot Persoonlijk en Sociaal Functioneren (OPSF)’. Vanaf 11 mei 2021 is er geen sprake meer van remissie. Eiseres voldoet sindsdien opnieuw aan de diagnose van ptss. Er is nog steeds sprake van psychosociale problematiek, hoge schulden en problemen met het huishouden. Er is wel degelijk sprake van een ernstige psychiatrische stoornis. De hoofddiagnose is een vermijdende persoonlijkheidsstoornis.
4. De rechtbank stelt vast dat het Uwv in deze zaak toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, zal aan de hand van de beroepsgronden worden beoordeeld of het bestreden besluit evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten en omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Nieuwe stukken ter onderbouwing van de ingenomen stellingen kunnen uiterlijk in de bezwaarfase worden ingebracht [1] .
5. De verzekeringsarts heeft in het medisch rapport van 25 februari 2021, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 18 maart 2021, geoordeeld dat de ptss in remissie is. Er zijn beperkingen aangenomen vanwege de borderline persoonlijkheidsstoornis. Op 25 februari 2021 is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld.
6. De vraag in deze zaak is of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om het besluit van 18 maart 2021 te herzien.
7. In het medisch rapport van 22 juli 2021 van de verzekeringsarts is de door eiseres, aan haar verzoek om herziening, overgelegde medische informatie beoordeeld. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat geen sprake is van nieuwe informatie die leidt tot een ander inzicht over de eerder opgestelde FML, die ten grondslag ligt aan het besluit van 18 maart 2021. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 29 oktober 2021 geoordeeld dat uit de in bezwaar overgelegde informatie geen nieuwe medische feiten en/of bevindingen naar voren is gekomen. Zorgvuldigheidshalve heeft verweerder ook de door eiseres in beroep overgelegde medische informatie nog voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In de medisch rapporten van 3 december 2021, 17 juni 2022 en 10 juli 2022 is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geoordeeld dat ook de in beroep ingebrachte medische informatie geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat, die aanleiding vormen om het besluit van 18 maart 2021 te herzien.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de medische rapporten. Niet is gebleken van nieuwe medische informatie die niet reeds bekend was en betrokken is bij het besluit van 18 maart 2021. Hierbij is van belang dat een nieuwe diagnose nog niet maakt dat sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid [2] . Tevens is van belang dat de datum in geding 19 april 2021 is. Gekeken moet worden naar de gezondheidstoestand van eiseres op die datum. Ontwikkelingen die zich na die datum hebben voorgedaan zijn dus niet van belang voor de beoordeling van deze zaak. Wat betreft het beroep van eiseres op de richtlijn OPSF is de rechtbank van oordeel dat deze richtlijn niet is te zien als een nieuw feit, aangezien deze dateert van voor het besluit van 18 maart 2021.
9. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich, gelet op het voorgaande, terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb.
9. In wat eiseres heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Het Uwv heeft het verzoek om herziening dan ook terecht afgewezen.
10. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres haar proceskosten niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. van Ettikhoven griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 juli 2022.
griffier rechter
(de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen)
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 december 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3018).
2.Zie een uitspraak van de CRvB van 2 december 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3018).