ECLI:NL:RBMNE:2022:4309
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WIA-besluit ondanks motiveringsgebrek; vergoeding redelijke termijn
Eiser, voormalig kelner/barmedewerker, meldde zich ziek vanaf juli 2017 en vroeg in april 2019 een WIA-uitkering aan. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser meer dan 65% van zijn maatmanloon kon verdienen. Na bezwaar en beroep werd de arbeidsongeschiktheid herzien naar 24,94%, maar bleef onder de 35% grens voor een WIA-uitkering.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die het oordeel van het UWV bevestigde. Eiser voerde aan dat de deskundige niet onafhankelijk was, maar dit werd verworpen. Ook werd het beroep gegrond verklaard wegens een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, dat pas in de beroepsfase werd hersteld.
De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn van twee jaar voor de procedure was overschreden met 16 maanden, deels in de bestuursfase en deels in de rechterlijke fase. Daarom werd een immateriële schadevergoeding toegekend van in totaal €2.000,-. Tevens werden proceskosten en kosten voor rechtsbijstand en deskundigen aan eiser vergoed.
Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage onder de 35% bleef. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek, rechtsgevolgen blijven in stand, vergoeding redelijke termijn en proceskosten toegekend.