Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Inleiding
OverwegingenWat vindt het Uwv?
Wat vindt eiser?
Immateriële schadevergoeding
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser diende op 21 februari 2017 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 november 1993, welke aanvankelijk werd geweigerd door het UWV. Na een hoger beroepsprocedure bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kende het UWV alsnog een Wajong-uitkering toe met ingang van 21 februari 2005, maar zonder volledige terugwerkende kracht. Het UWV betaalde een nabetaling van €162.504,89 en kende een bedrag van €6.589,52 aan wettelijke rente toe over een deel van deze nabetaling.
Eiser stelde dat de wettelijke rente berekend diende te worden over het volledige bedrag van de nabetaling vanaf 30 mei 2017, de datum waarop het UWV in verzuim was. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke rente inderdaad over de volledige nabetaling verschuldigd is vanaf die datum, omdat het UWV zichzelf verplicht heeft tot deze nabetaling. Het standpunt van het UWV dat de rente slechts over een deel van het bedrag verschuldigd zou zijn, werd verworpen.
Daarnaast verzocht eiser om een immateriële schadevergoeding wegens psychisch leed veroorzaakt door het oorspronkelijke besluit. Dit verzoek werd afgewezen omdat eiser geen medische onderbouwing leverde en niet aannemelijk maakte dat hij in zijn eer of goede naam was aangetast.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, herroept het eerdere besluit van het UWV, en bepaalt dat het UWV wettelijke rente moet betalen over de volledige nabetaling vanaf 30 mei 2017. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en een proceskostenvergoeding van €1.518,- aan eiser, maar niet tot vergoeding van daadwerkelijke proceskosten.
Uitkomst: Het UWV moet wettelijke rente betalen over de volledige nabetaling van €162.504,89 vanaf 30 mei 2017 en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.