ECLI:NL:CRVB:2022:2354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over wettelijke rente nabetaling WAO-uitkering
Appellante ontving vanaf 1994 een WAO-uitkering die in 1996 werd ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor haar werk. Na een herzieningsverzoek in 2012 en daaropvolgende procedures werd vastgesteld dat zij vanaf 31 januari 1996 recht had op een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het UWV betaalde een nabetaling met wettelijke rente vanaf 2 april 2012, maar appellante stelde dat de rente vanaf 31 januari 1996 moest lopen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Op grond van artikel 4:102, vierde lid, van de Awb moet het UWV wettelijke rente vergoeden over de gehele periode van de nabetaling, omdat het besluit van 15 januari 2020 een wijziging van een eerdere beschikking betreft met terugwerkende kracht.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat het UWV de wettelijke rente over de volledige nabetalingsperiode moet betalen. Verstrekte onjuiste of onvolledige gegevens zijn niet gebleken, waardoor renteaftrek niet aan de orde is. Het verzoek om vergoeding van andere schade kan in deze procedure niet worden behandeld.
Uitkomst: Het UWV moet de wettelijke rente over de gehele nabetalingsperiode van de WAO-uitkering vergoeden.