Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren legde aan eiser een last onder dwangsom op wegens het niet verwijderen van een vierde woning op een perceel. Eiser verwijderde de woning grotendeels conform een door het college goedgekeurd plan van aanpak, maar liet de fundering, vloer en nutsvoorzieningen staan. Het college vorderde de volledige dwangsom van € 30.000,-, waarop eiser bezwaar maakte dat niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege termijnoverschrijding.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen de last onder dwangsom terecht niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend. De dwangsom is op 1 september 2020 van rechtswege verbeurd en de invordering is niet verjaard doordat het bezwaar openstond. De rechtbank volgt het college in dat de fundering en vloer onderdeel zijn van de woning en dus verwijderd moesten worden.
Gezien het feit dat eiser grotendeels had voldaan aan het plan van aanpak en de woning op 3 augustus 2022 volledig had verwijderd, acht de rechtbank dit een bijzondere omstandigheid die matiging van de dwangsom rechtvaardigt. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit tot invordering van € 30.000,- voor zover het bedrag betreft en bepaalt zelf een matiging tot € 10.000,-. Het college moet het griffierecht aan eiser vergoeden.