Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Procesverloop
de beschikkingen) op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (
de waardepeildatum) van de volgende, alle in [plaats] gelegen objecten voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op:
aanslagen).
Feiten
Geschil
De beoordeling van het geschil
de marktwaarde). De rechtbank volgt partijen hierin.
de objectafbakening). Bij de objectafbakening, die is geregeld in artikel 16 van Pro de Wet WOZ, komt aan verweerder geen beoordelingsvrijheid toe [1] . De rechter dient te beoordelen of het object waarvan de waarde door verweerder is vastgesteld, juist is afgebakend. Dit geldt ook wanneer de objectafbakening tussen partijen niet in geschil is [2] .
het bovenhuis) als één onroerende zaak aangemerkt. In de uitspraak op het bezwaar heeft verweerder overwogen:
(de woning)bestaat uit de eerste verdieping van het gebouwde eigendom [adres 1] . De rechtbank volgt partijen in dit standpunt dat naar haar oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts zijn partijen ter zitting het erover eens geworden dat de waarde van de op de juiste wijze afgebakende onroerende zaak circa 60% van de waarde van het bovenhuis is. Hierna scheiden zich de wegen van partijen. Verweerder gaat uit van de vastgestelde waarde van het bovenhuis van € 293.000,- en berekent de waarde van de woning op 60% van € 293.000,-, dat is – naar boven afgerond op een veelvoud van € 10.000,- – € 180.000,-. Eiser neemt de door hem verdedigde waarde van het bovenhuis van € 242.000,- tot uitgangspunt en berekent de waarde van de woning op 60% van € 242.000,-, dat is – naar boven afgerond op een veelvoud van € 10.000,- –
het taxatieoverzicht), bestaande uit losse opsommingen van gegevens van het bovenhuis en van vier naar de opvatting van verweerder daarmee vergelijkbare objecten: [adres 8] ,
de vergelijkingsobjecten). In het taxatieoverzicht is de waarde van het bovenhuis herleid uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten (
de waardeherleiding). Daartoe is de verkoopprijs van elk vergelijkingsobject allereerst gecorrigeerd voor de ontwikkeling van de waarde van het vergelijkingsobject tussen de verkoopdatum en de waardepeildatum of vice versa (
de tussentijdse waardeontwikkeling). Op de verkoopprijs van elk vergelijkingsobject na de correctie voor tussentijdse waardeontwikkeling (
de gecorrigeerde koopsom) zijn de deelwaarden van enkele gebouwde delen van het vergelijkingsobject in mindering gebracht. Het gaat bij twee vergelijkingsobjecten om een dakterras, bij twee vergelijkingsobjecten om een berging en bij drie vergelijkingsobjecten om een balkon. Bij de berekening van de deelwaarden van het dakterras, de bergingen en de balkons is gebruik gemaakt van één vaste rekenprijs van € 500,- per m2. Na de vermindering van de gecorrigeerde verkoopsom van elk vergelijkingsobject met de deelwaarde(n) van het (de) zo-even genoemde, tot het vergelijkingsobject behorende gebouwde deel(delen), resteert de deelwaarde van het vergelijkingsobject zonder deze delen (
het hoofdobject). De waarde van het hoofdobject wordt gedeeld door het aantal m2 gebruiksoppervlak van het hoofdobject. Het quotiënt is de rekenprijs per m2 van het hoofdobject ( [adres 8] : € 2.330,-, [adres 9] :
de woningen). De rechtbank sluit zich aan bij deze, naar haar oordeel juiste, gemeenschappelijke opvatting van partijen.
het bovenhuis) als één onroerende zaak aangemerkt. In de uitspraak op het bezwaar heeft verweerder overwogen:
de woning) bestaat uit de eerste verdieping van het gebouwde eigendom waarvan de woning deel uitmaakt alsmede dat de waarde van de woning op waardepeildatum 1 januari 2019 € 175.000,- bedraagt. Nu deze gezamenlijke standpunten van partijen niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Bpb) volgt dat alleen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen. De gemachtigde is mede-eigenaar van de objecten. Dit betekent dat de gemachtigde rechtstreeks belang bij de beschikkingen en de aanslagen heeft. Hij is daarom geen derde in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Bpb. Eiser heeft dus geen recht op vergoeding van de kosten van de door zijn gemachtigde aan hem verleende rechtsbijstand. Eiser heeft niet gesteld dat hij andere kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.