ECLI:NL:RBMNE:2022:6321
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde kantoorpand na beroep gegrond verklaard
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van een kantoorpand, welke was vastgesteld op €1.221.000,- per waardepeildatum 1 januari 2020. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van beide partijen.
De heffingsambtenaar baseerde de waarde onder meer op de aankoopprijs van het pand in 2018 van €1.200.000,-, zonder correctie voor de deels verhuurde staat van het pand, hetgeen eiser betwistte op grond van de ficties in artikel 17, tweede lid, Wet WOZ. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat geen correctie nodig was, mede omdat het pand deels verhuurd was en dit de koopprijs mogelijk beïnvloedde.
Eiser onderbouwde zijn lagere waarde van €1.113.000,- met de huurwaardekapitalisatiemethode, maar kon niet aannemelijk maken dat de gehanteerde gemiddelde huurwaarde van €128 per m² juist was, mede vanwege het ontbreken van differentiatie tussen begane grond en verdiepingen. De rechtbank concludeerde dat geen van beide partijen hun waarde aannemelijk had gemaakt en stelde de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €1.165.000,-.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiser.
Uitkomst: De WOZ-waarde van het kantoorpand wordt vastgesteld op €1.165.000,- per 1 januari 2020, lager dan de oorspronkelijke vaststelling.