ECLI:NL:RBMNE:2022:6330
Rechtbank Midden-Nederland
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde kantoorruimte en proceskostenvergoeding na overschrijding redelijke termijn
Eiseres betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van haar kantoorruimte voor het belastingjaar 2020. Verweerder had de waarde na bezwaar verlaagd van €316.000 naar €248.000, maar eiseres vond dit nog te hoog en stelde een waarde van €209.000 voor.
De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de op de zitting ingenomen standpunten. Verweerder gebruikte de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de huurwaarde werd afgeleid uit vraaghuur en referentieobjecten, maar de rechtbank vond de onderbouwing onvoldoende, met name vanwege het gebruik van vraaghuur en het ontbreken van een splitsing van huurprijzen tussen kantoorruimte en parkeerplaatsen bij referentieobjecten.
Eiseres had haar lagere waarde niet onderbouwd. Daarom stelde de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €235.000. Daarnaast kende de rechtbank eiseres een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep, en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: WOZ-waarde vastgesteld op €235.000 met vergoeding van immateriële schade en proceskosten aan eiseres.