Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.Waar gaat deze zaak over?
3.6 JOUW CONCURRENTIEBEDING
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een werknemer die sinds 2007 in dienst was bij een tandtechnisch laboratorium en na een overname in 2021 een nieuwe arbeidsovereenkomst met een concurrentiebeding sloot. De werknemer wilde overstappen naar een directe concurrent, maar het verzoek om schorsing van het concurrentiebeding werd afgewezen.
De kantonrechter overwoog dat het concurrentiebeding geldig en redelijk is en dat partijen hieraan gebonden zijn. De belangenafweging wees uit dat het bedrijfsbelang van de werkgever, ter bescherming van klantenbestand en bedrijfsinformatie, zwaarder weegt dan het belang van de werknemer om dichter bij huis te werken en een hoger salaris te ontvangen.
De werknemer kon onvoldoende aannemelijk maken dat de concurrentiebeding onbillijk zou zijn of dat de concurrent een eigen klantenkring had opgebouwd. Ook een vergelijkbare situatie met een collega die wel toestemming kreeg, was niet relevant. De subsidiaire vordering tot billijke vergoeding werd eveneens afgewezen.
De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten van de werkgever. Het vonnis is gewezen door kantonrechter D.A. van Steenbeek en bij diens afwezigheid ondertekend door kantonrechter O.P. van Tricht.
Uitkomst: De vorderingen tot schorsing van het concurrentiebeding en billijke vergoeding worden afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.