De rechtbank Midden-Nederland behandelde de beroepen van omwonenden tegen omgevingsvergunningen die het college van Almere had verleend aan Panattoni en Hunkemöller voor de bouw van twee distributiecentra op een bedrijvenpark in Almere. Eisers wonen circa 2.600 meter van het bedrijventerrein en voerden onder meer aan dat de vergunningen in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat diverse milieuregels en procedures niet zijn nageleefd.
De rechtbank oordeelde dat de beroepen ontvankelijk zijn, omdat eisers procesbelang hebben en geen misbruik van procesrecht is vastgesteld. Wel stelde de rechtbank vast dat een groot deel van de beroepsgronden gebaseerd is op normen die niet strekken tot bescherming van de belangen van eisers, waardoor deze niet tot vernietiging van de vergunningen kunnen leiden (relativiteitsvereiste).
Inhoudelijk beoordeelde de rechtbank onder meer dat de afstand tussen de woningen van eisers en het bedrijventerrein te groot is om hun woon- en leefomgeving te beschermen, dat het flora- en faunaonderzoek correct was ondanks een procedurele fout die niet tot benadeling leidde, en dat het college bevoegd was de vergunningen te verlenen ondanks strijd met het bestemmingsplan. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard. Daarnaast werd bepaald dat het griffierecht in één zaak aan eisers wordt vergoed.