ECLI:NL:RBMNE:2023:1186
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiser betwist de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €383.000 per 1 januari 2020, en stelt dat de waarde niet hoger kan zijn dan €370.000. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde en onderbouwt deze met een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen worden meegenomen.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De vergelijkingsmethode is zorgvuldig toegepast, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, perceelgrootte en kwaliteit. De stellingen van eiser over isolatie, energielabel en ligging zijn onvoldoende onderbouwd om de waarde aan te passen.
Eiser klaagt over het ontbreken van bepaalde stukken (grondstaffel en KOUDVL-factoren) in de bezwaarfase, wat een informatieachterstand veroorzaakte. Deze achterstand is echter in de beroepsfase hersteld door het overleggen van de ontbrekende documenten, zodat de rechtbank het gebrek passeert op grond van artikel 6:22 Awb Pro.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de WOZ-waarde en veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van de beroepsfase, terwijl het griffierecht aan eiser wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €383.000 wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde bevestigd.