Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 67 bomen en het verplanten van drie bomen aan de Ivoordreef ten behoeve van de bouw van 310 woningen. Verzoekster, de Utrechtse Bomenstichting, stelde beroep in tegen deze kapvergunning en verzocht om een voorlopige voorziening om de kap te schorsen.
De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was de kapvergunning te verlenen, ondanks de aanwezigheid van een weigeringsgrond, omdat het belang van woningbouw zwaarder weegt dan het belang van het behoud van de bomen. De herplantplicht die aan de vergunning is verbonden, voldoet aan de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), waarbij meer bomen worden herplant dan gekapt.
Verder is het verlenen van de vergunning niet voorbarig, ook al was het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk vastgesteld, omdat het gebruik van de vergunning is gekoppeld aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Het beroep niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten aan verzoekster.