Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
2.[gedaagde sub 2] ,
1.De procedure
2.De beoordeling
498,00(1 punt x tarief € 498,00)
Rechtbank Midden-Nederland
RK Zeist verhuurde een woning aan een echtpaar, waarvan de man in 2021 overleed. De zoon en schoondochter gingen daarna bij de moeder wonen en stonden sinds maart 2022 ingeschreven op het adres. Na het onverwachte overlijden van de moeder in 2022 vroegen zij de huur over te nemen, maar RK Zeist weigerde dit omdat zij geen duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden en niet tijdig een verzoek tot voortzetting van de huur hadden ingediend.
De verhuurder vorderde ontruiming binnen zeven dagen, omdat de samenwoners zonder recht of titel in de woning verbleven. De kantonrechter oordeelde dat de vervaltermijn van zes maanden uit artikel 7:268 lid 2 BW Pro strikt geldt en dat het niet op de hoogte zijn van deze termijn geen bijzondere omstandigheid is om hiervan af te wijken.
Hoewel de samenwoners erkenden dat zij de woning moeten verlaten, vroegen zij om een langere termijn vanwege het ontbreken van passende woonruimte. De kantonrechter wees de ontruimingsvordering toe, maar stelde een ontruimingstermijn tot uiterlijk 28 februari 2023 vast, langer dan de gevorderde zeven dagen.
De samenwoners werden veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter benadrukte dat het belang van de verhuurder bij ontruiming zwaarder weegt dan het belang van de samenwoners om in de woning te blijven, mede vanwege de wachtlijst voor de woning.
Uitkomst: De samenwoners worden veroordeeld tot ontruiming van de huurwoning uiterlijk 28 februari 2023 wegens het niet tijdig indienen van een verzoek tot voortzetting van de huur.