De rechtbank Midden-Nederland behandelt het beroep van eiseres tegen een besluit van het UWV waarin is afgezien van een fysiek spreekuur. In een eerdere tussenuitspraak werd het UWV in de gelegenheid gesteld het onzorgvuldigheidsgebrek te herstellen door een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in te dienen.
Het UWV heeft een aanvullend rapport overgelegd waarin de verzekeringsarts betoogt dat een fysiek spreekuur geen meerwaarde heeft, mede vanwege een eerder psychiatrisch rapport en de aard van het syndroom van Tietze. De verzekeringsarts stelt dat beperkingen vooral via anamnese worden vastgesteld en dat een telefonisch spreekuur voldoende was.
De rechtbank oordeelt echter dat de motivering onvoldoende is. De verzekeringsarts richt zich vooral op het lichamelijk onderzoek en niet op het fysieke spreekuur als zodanig. Ook is onvoldoende toegelicht hoe de beperkingen van eiseres tijdens het telefonisch spreekuur zijn vastgesteld en ondervangen, terwijl juist het fysieke contact relevant kan zijn gezien haar psychische problematiek.
Daarom wordt het beroep van eiseres gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarbij eiseres wordt uitgenodigd voor een fysiek spreekuur. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eiseres vergoed.