ECLI:NL:RBMNE:2023:3561
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2020, vastgesteld op €526.000,- door de heffingsambtenaar van de gemeente. De rechtbank beoordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, onder meer door een taxatiematrix met vergelijkingsobjecten in dezelfde plaats en periode.
De rechtbank weegt de bezwaren van eiser, die vooral algemeen en niet nader onderbouwd zijn, en concludeert dat deze onvoldoende zijn om de waardebepaling te wijzigen. De procedure verliep met enige vertraging door handelen van de gemachtigde van eiser, waardoor de redelijke termijn met ruim een maand is overschreden.
De rechtbank kent daarom een immateriële schadevergoeding toe van €50 aan eiser wegens deze termijnoverschrijding, maar wijst het beroep zelf af. Er wordt geen griffierecht teruggegeven en geen proceskostenvergoeding toegekend.
De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier I. Zallali op 11 juli 2023. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding van €50 wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.