Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2023 in de zaak tussen
[eiseres] ., eiseres
De heffingsamtenaar van de gemeente [plaats 1] , verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Conclusie en gevolgen
Beslissing
.
Rechtbank Midden-Nederland
De heffingsambtenaar van de gemeente heeft de WOZ-waarde van een hotel-restaurant vastgesteld op €3.265.000,- voor het belastingjaar 2021, gebaseerd op de waardepeildatum 1 januari 2020. Eiseres betwistte deze waarde en stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld, mede vanwege de gevolgen van de coronamaatregelen. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde correct heeft vastgesteld met de huurwaardekapitalisatiemethode en een korting van 15% toepaste vanwege corona, wat hoger is dan de percentages in andere gemeenten die eiseres aanvoerde.
Eiseres bracht diverse standpunten naar voren, waaronder dat de aanvangshuurprijs verouderd was en dat een grotere correctie vanwege corona nodig was. Deze punten werden deels niet tijdig ingebracht of onvoldoende onderbouwd, waardoor de rechtbank ze niet verder behandelde. Daarnaast stelde eiseres dat andere eigenaren, huurders of gebruikers als partij hadden moeten worden betrokken, maar dit werd verworpen omdat dit niet het belang van eiseres diende.
Eiseres verzocht ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde een overschrijding van bijna drie maanden, maar verlengde de termijn vanwege vertraging veroorzaakt door eiseres en haar gemachtigde, met name door het late betalen van het griffierecht en herhaalde verzoeken om uitstel zonder voldoende onderbouwing.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en wijst het beroep en het schadevergoedingsverzoek af. Ook worden geen proceskosten aan eiseres opgelegd, ondanks het moeizame procesgedrag van haar gemachtigde, omdat er geen sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.