Eiser trad op 1 juli 2022 in dienst bij gedaagde als sportinstructeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Partijen sloten een vaststellingsovereenkomst waarin afspraken werden gemaakt over beëindiging per 1 juni 2023 en betaling van een eindafrekening van €4.240,56 binnen vier weken na de einddatum.
Gedaagde heeft niet volledig aan deze afspraken voldaan, waarop eiser een kort geding startte met vorderingen tot betaling van het bedrag, wettelijke verhoging, rente en verstrekking van juiste loonstroken. Gedaagde verscheen niet en voerde geen verweer, waardoor verstek werd verleend.
De kantonrechter oordeelde dat eiser een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen, die niet onrechtmatig of ongegrond zijn. Een deelbetaling van €3.790,44 door gedaagde na dagvaarding werd in mindering gebracht. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag, wettelijke verhoging en rente, en tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties binnen veertien dagen, onder dreiging van een dwangsom.
Daarnaast werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.