De eiser trad in 2006 aan als directeur bij een uitzendorganisatie (gedaagde sub 1), onderdeel van een stichting (gedaagde sub 2). Hij werkte deels gedetacheerd bij de stichting. De eiser stelde dat hem was toegezegd dat zijn pensioenopbouw minimaal gelijk zou zijn aan die van werknemers van de stichting die bij ABP waren aangesloten.
De arbeidsovereenkomst verwees naar een pensioenregeling conform een pensioenbrief, afhankelijk van acceptatie door een verzekeringsmaatschappij. Uiteindelijk werd in 2012 een pensioenregeling bij Zwitserleven getroffen, met een eenmalige koopsom ter compensatie van het pensioen over 2006-2012. De eiser accepteerde deze regeling stilzwijgend.
De kantonrechter oordeelde dat geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat de pensioenopbouw gelijk zou zijn aan die bij ABP. De keuze voor indiensttreding bij gedagden sub 1 was mede de eigen keuze van eiser. De pensioenregeling bij Zwitserleven was een bewuste invulling van de arbeidsovereenkomst. De vorderingen tot vergoeding van pensioentekort en fiscaal nadeel werden afgewezen.
De eiser werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter M.J. Slootweg op 8 november 2023.