Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
[derde-partij 1]en
[derde-partij 2]uit [woonplaats] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser, eigenaar van een pand aan een adres in Utrecht, verzocht het college handhavend op te treden tegen het ontbreken van een constructief veilige fundering onder de keldermuur van het naastgelegen pand. Het college wees dit verzoek af omdat geen overtreding van het Bouwbesluit 2012 was vastgesteld, mede op basis van de NEN 8707 norm die de mate van scheefstand beoordeelt.
Eiser voerde aan dat er sprake was van verzakking en dat bodemonderzoek noodzakelijk was. De rechtbank oordeelde dat de mate van verzakking niet relevant is voor de toetsing aan het Bouwbesluit, maar de mate van scheefstand, die binnen de toegestane grens bleef. Daarom was het college terecht niet bevoegd tot handhaving.
Daarnaast vorderde eiser een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar duurden, met een overschrijding van ongeveer acht maanden. Ondanks het standpunt van het college kende de rechtbank eiser een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde het college tot betaling van de schadevergoeding en wees een griffierechtvergoeding en proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter M.W.A. Schimmel op 30 november 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard, maar het college wordt veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.