Uitspraak
1.De procedure
3.Het oordeel in beide zaken
4.De feiten in beide zaken
1.196,00(2 punten x tarief Il)
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser kocht in december 2014 een woning en vroeg financiering aan bij verschillende financiële instellingen, waaronder gedaagde 1 en gedaagde 2. Beide instellingen registreerden strafrechtelijke persoonsgegevens van eiser in het Externe Verwijzingsregister (EVR) wegens vermoedens van fraude, wat leidde tot intrekking van de hypothecaire lening.
De rechtbank beoordeelde of er voldoende grond was voor deze registratie. Volgens het toetsingskader is registratie alleen toegestaan bij concrete feiten die een strafbaar feit kunnen dragen, zwaarder dan een redelijk vermoeden van schuld. De rechtbank concludeerde dat de omstandigheden onvoldoende waren om registratie te rechtvaardigen, ondanks vermoedens van looncarrousel en vervalste documenten.
De rechtbank verwierp de formele verweren van verjaring en klachtplicht van de gedaagden. De schade die eiser leed door de onrechtmatige registratie staat in causaal verband met het handelen van gedaagde 1 en gedaagde 2, die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade in de periode dat beiden registreerden.
De vorderingen van eiser tegen gedaagde 1 en gedaagde 2 worden toegewezen voor zover in het vonnis vermeld, met een proceskostenveroordeling en uitvoerbaarheid bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde 1 en gedaagde 2 zijn aansprakelijk voor onrechtmatige registratie van strafrechtelijke persoonsgegevens en moeten schadevergoeding betalen.